De Wet van Evolutie en Involutie

Inleidende onderwerpen in de Gnosis

Inleidende Studie tot de GNOSIS

 

                                

 

 

 

 

Evolutie is een geleidelijke en geordende ontwikkeling naar iets hogers, geregeerd door precieze doch vaak onbekende beginselen of wetten. Evolutie betekent ook vooruitgang, constructieve drang, ontplooiing, groei. Deze visie is op zich correct, maar desondanks onvolledig. Erop bouwen leidt al snel tot verkeerde conclusies.

Voor de fanaten van het materialisme is de Evolutie in de eerste plaats de ontkenning van een intelligent scheppingsplan en van een Logos (scheppende God of Intelligentie). Zij verkeren in de waan, dat de Evolutie een onafhankelijk en mechanisch proces is, zonder God of wet.

Voor de studenten van de diverse pseudo-esoterische scholen is de Evolutie daarentegen in de eerste plaats een intelligent scheppingsplan, op gang gezet door een scheppende Logos.

Geen van beide standpunten is echter volledig, want ze vergeten de tegenpool van de Evolutie, namelijk de involutie. Volgens de wet van de tegenstellingen heeft alles zijn tegenpool. Voorbeelden zijn er genoeg: licht en donker, boven en onder, blijdschap en verdriet, optimisme en in pessimisme, groot en klein enz. Evolutie en involutie zijn geen uitzondering en horen dus in dit rijtje thuis.

In elk mechanisch proces zijn de Evolutieve en de involutieve krachten naast elkaar werkzaam. Evolutie en involutie zijn in feite tweelingzusters, twee wetten die samen de mechanische gang van zaken regelen in het heelal, op gecoördineerde en harmonische wijze. Zij zijn de mechanische as van de natuur.

Wij kunnen de Evolutie niet tegenspreken. Zij bestaat echt! Het is echter verkeerd om dingen toe te schrijven aan deze wet die er in feite niets mee te maken hebben. De Evolutie is geen scheppende kracht, Evolutie en involutie zijn gezamenlijk een organiserende kracht. De Evolutie kan bijvoorbeeld geen nieuwe soorten voortbrengen, of de intieme zelfverwezenlijking van de mens tot stand brengen. De ontwikkeling van het bewustzijn kan nooit het resultaat zijn van een mechanisme, want het bewustzijn berust op de vrije wil, terwijl er in een automatisme daar geen sprake van is.

De innerlijke zelfverwezenlijking van een mens is het resultaat van ontzaglijke inspanningen vanuit het bewustzijn, die men zelf verricht, op vrijwillige wijze, hier en nu. Het is niet het resultaat van een natuurlijk proces.

Het is ongerijmd om de Evolutie te ontkennen, maar het is evenzeer dwaas om vruchten aan haar toe te schrijven, die zij nooit kan voortbrengen. In elk scheppend proces is er Evolutie, in elke zaadkiem die ontspruit, in elke plant, die groeit en bloeit, in elk kind, dat geboren wordt en opgroeit.

Maar er bestaat net zo goed involutie in elk destructief proces: in de boom of plant, die verdort of verwelkt, totdat er tenslotte slechts een hoop hout of takken overblijft en in de grijsaard, die uiteindelijk zijn laatste adem uitblaast. 

Alles wat er in de schepping is, evolueert tot een door de natuur bepaald punt, waarna het involueert tot het origineel beginpunt. Om de zelf-verwezenlijking te bereiken dient men zich echter te bevrijden van de mechanische wetten van Evolutie en Involutie.

In elk natuurlijk proces valt altijd een spel van tegenstellingen te constateren. Voorbeelden zijn er genoeg: dag en nacht, licht en duister, opbouw en afbraak, geboorte en dood, groei en inkrimping, enz. Zou men een van de twee uitsluiten, dan zou de ander ook onmogelijk kunnen bestaan.

Zo zijn ook Evolutie en involutie met elkaar verbonden. Zou men een van deze twee wetten of beginselen uitsluiten, dan zouden alle mechanische processen in de natuur tot stilstand komen. Het resultaat zou zijn: absolute inactiviteit, totale passiviteit. Het is dientengevolge ongerijmd, om een van deze twee wetten te ontkennen.

Niet alleen in de levende organismen als planten, dieren en mensen zijn deze wetten actief vanaf de geboorte tot de ontbinding, ook op de zonnestelsels en hemellichamen zijn ze van toepassing. Er is Evolutie in elk stelsel, dat in de ruimtegeboren wordt en er is involutie in elke planeet, die in een maan verandert, in een kadaver.

Er is Evolutie in elke beschaving in opmars en er is involutie in elke decadente beschaving. Men hoeft de geschiedenis maarte bestuderen om dit feit te constateren: hoe machtig een cultuur ook is, hoe hoog zij ook mag stijgen, als de involutie zich eenmaal doet gelden, moet zij haar plaats afstaan aanhaar opvolgster(s).

Ook het leven wordt geregeerd door deze twee wetten: golven van essenties beginnen hun Evolutie in het minerale rijk, vervolgen hun bestaan als vegetale elementen en later als dierlijke elementen en bereiken tenslotte het niveau van de intellectuele mens. Dan dalen de levensgolven, gesleept door de involutie, via de dierlijke en vegetale rijken weer tot het rijk der mineralen in het binnenste van de aarde.

Dit is het wiel van het Samsara, afgebeeld op de tiende plaat van de Tarot: rechts brengt de Evolutie de essenties naar boven, naar het mensenrijk, links draait de involutie het leven terug naar het uitgangspunt. Het verblijf in het mensenrijk, of beter gezegd, in het rijk der mensachtigen, is een tijdelijke omstandigheid, een zeer relatief iets.

Zeer terecht heeft men ons er op gewezen, dat de ‘mensachtige’ in elke omwenteling van het wiel van het leven 108 keren een fysiek bestaan leidt, waarin het Evolutieve en het involutieve elkaar min of meer afwisselen. Deze 108 vertoningen op het aardse toneel staan in strikte overeenstemming met de 108 kralen van het halssnoer van Buddha.

Na elke cyclus draait het wiel van het leven onherroepelijk, dan moeten de levensgolven vanzelfsprekend meedraaien en in het rijk der mineralen dalen om op een later tijdstip nieuwe Evolutie-processen te kunnen beginnen.

Drieduizend wentelingen maakt het wiel van het leven, drieduizend keren draait het voor elke levensgolf. Na deze 3000 wentelingen is elke vorm van zelfverwezenlijking onmogelijk voor de essentie. Met andere woorden: elke essentie krijgt drieduizend cycli van elk 108 kansen om de innerlijke verwezenlijking van het wezen te bereiken. Na de laatste wenteling gaan de poorten dicht.

Als dit laatste gebeurt, neemt het Zijn (de Monade of Godsvonk) zijn Essentie en alle andere uitgestraalde krachten en trekt zich terug in het ‘niet-zijn’, in het Parabrahatman (de"Oceaan van het Leven", het Onbegrensde Absolute). Deze mislukte Monaden bezitten geen 'meesterschap’, geen ‘zelfverwezenlijking’, geen actief ‘zelfbewustzijn'. Het zijn slechts‘vonken’: het lukte hen niet om ‘lammen' te worden.

Toch hebben zij geen enkel excuus, want de drieduizend wentelingen van het wiel van het leven voltrekken zich in diverse perioden van kosmische activiteit (manvantara’s) en op verschillende levenstonelen en bieden dus oneindige mogelijkheden.

 

Verder met deel 2 van 2.

 

 

 

 

Hoofdstuk 11. De Wet van Evolutie en Involutie.

 

Deel 1 van 2