Doelstelling en uitgangspunten van de Gnosis

Inleidende onderwerpen in de Gnosis

Inleidende Studie tot de GNOSIS

 

                                

 

 

 

 

1.1. DE INNERLIJKE KENNIS

Het woord GNOSIS betekent letterlijk KENNIS, maar dan kennis in de zin van dieper inzicht, dit is ‘kijk in de aard of het wezen der dingen, dieper begrip aangaande het leven, het bestaan, de dingen en de wezens, de natuur, het heelal en de mens zelf’ .

Men kan zich verstandelijke kennis verschaffen omtrent de natuurverschijnselen, doch deze kennis betekent niet noodzakelijk inzicht of kijk in de aard of het wezen ervan. Het waarnemen of bestuderen van een natuurverschijnsel en het formuleren van stellingen van natuurkundige wetten leidt ongetwijfeld tot verstandelijke kennis. Als dit proces volgens bepaalde, strenge methodes wordt uitgevoerd, heet dat ‘wetenschap’ en worden de conclusies algemeen aanvaard.

Volgens de Gnostische Studies kan de zo verworven kennis als verstandelijk worden beschouwd, maar niet als inzicht, het verschaft immers geen 'dieper inzicht’ omtrent een bepaald verschijnsel: het verschijnsel wordt niet in zijn aard of wezen bestudeerd of doorzien. Slechts de waarneembare natuurkundige verschijningsvormen zijn bekeken.

Als de wetenschap een verschijnsel bestudeert, doet ze eigenlijk niets anders dan een etiket erop plakken, een benaming eraan geven. Soms kan men een verband met andere verschijnselen aanwijzen, doch de laatste oorzaak blijft steeds verborgen voor het verstand, evenals de uiteindelijke gevolgen ervan.

Een voorbeeld: De geleerden spreken van materie en energie. De materie kan in energie omgezet worden en het omgekeerde is ook mogelijk. Maar wat is energie? Wat is materie? Een stuk hout, een ijzerdraad, een ganzenveer, een pluisje, een druppel water, een zee, een wolk of een liter zuurstof? Is dat allemaal materie? Wat is nu de eigenlijke oorzaak van de materie en van de energie? Op deze vragen heeft de wetenschap (nog) geen antwoord gegeven.

Wij willen hiermee de verstandelijke kennis niet in een ongunstig daglicht stellen, maar er alleen op wijzen, dat het verstand geen volmaakt kenvermogen is. Het verstand is beperkt. Er is evenwel een ander kenvermogen, dat zich niet beperkt tot de waarneembare verschijningsvormen der dingen, maar tot het wezen ervan kan doordringen, namelijk de GNOSIS, het diepere inzicht.

Niet dat de ene soort kennis beter is dan de andere, belangrijker is het om het verschil te leren inzien. Elk kenvermogen, zolang het binnen de perken blijft, is nuttig en goed. Het voorgaande is trouwens altijd geldig: alles is goed op zijn plaats, maar slecht op de verkeerde plek. Water en vuur zijn er schitterende voorbeelden van: op hun plaats zijn ze  een zegen, maar als ze buiten hun perken gaan, het land overstromen of huizen in de as leggen, zijn ze schadelijk en slecht.

Hetzelfde is van toepassing op de verstandelijke kennis en op het diepere inzicht. leder heeft zijn specifieke terrein en bereik. Het is van groot belang, dat de lezer in dit stadium kan inzien, dat zowel de verstandelijke kennis als de GNOSIS, dit is het diepere inzicht, naast elkaar kunnen bestaan en op doelmatige wijze gebruikt dienen te worden.

We kunnen dit met een voorbeeld toelichten: een telescoop kan een microscoop niet vervangen, omgekeerd evenmin. Toch zijn deze instrumenten allebei zeer nuttig en belangrijk. Zowel de een als de ander is beperkt tot een bepaald werkterrein. Je kunt nu eenmaal geen microscopische organismen bestuderen met behulp van een telescoop of hemellichamen met een microscoop.

Het staat vast, dat voorgaande ook geldt voor de verstandelijke kennis en het diepere inzicht. Je kunt met het verstand geen dieper inzicht verkrijgen in de aard of het wezen der dingen, sterker nog -het dieper inzicht kan geen bewijsstukken uit zijn waarnemingsterrein voorleggen aan het verstand- omdat het verstand die toch niet kan beoordelen, daar ze niet behoren tot zijn eigen waarnemingsgebied. Toch is de GNOSIS als dieper inzicht niet een abstract en onbepaald begrip of zinledig woord, maar een reëel kenvermogen met zijn eigen werktuigen en waarnemingsvermogens, dat in ieder mens latent aanwezig is en verder ontwikkeld kan worden.

Verstandelijke kennis berust in laatste instantie op de waarneming van de vijf normale zintuigen: gezicht, gehoor, smaak, reuk en tastzin. Wat echter buiten het bereik van de zintuigen valt, ook na gebruik van instrumenten, apparaten en andere wetenschappelijke en technische hulpmiddelen, kan niet waargenomen of bestudeerd worden. Verfijnde instrumenten kunnen wellicht het bereik van de verstandelijke kennis vergroten door het verlagen van de waarnemingsdrempel, maar zij kunnen deze drempel niet helemaal opheffen.

Hieruit volgt, dat verstandelijke kennis noodzakelijk begrensd of beperkt is tot een bepaald terrein en kan dus nimmer als absoluut of compleet beschouwd worden. In het licht van de GNOSIS is de verstandelijke kennis oppervlakkig, omdat zij de dingen slechts als verschijnsel kan verkennen, de buitenkant ervan, doch nooit zal zij in hun aard of wezen kunnen dringen.

Voor alle duidelijkheid herhalen wij, dat wij hiermee niet beweren, dat verstandelijke kennis onnodig, overbodig of ongunstig zou zijn, het gaat er slechts ore haar te relativeren en te pleiten voor het bestaansrecht van het diepere inzicht, de GNOSIS. Het diepere inzicht kan wel in het wezen der dingen dringen, anders kan het niet als 'dieper inzicht' worden beschouwd.

Dat dit kenvermogen in de loop der eeuwen GNOSIS is gaan heten doet er eigenlijk niet toe. Hoewel het begrip GNOSIS als zodanig pas van het begin van onze jaartelling stamt, kan men aantonen, dat het Perzische DJIN, het Tibetaanse CHOHAN, het Chinese CH’ANG en het latere ZEN, zowel wat betreft de term als de inhoud, pure GNOSIS zijn. Evenmin is het in dit opzicht van belang, dat verschillende stromingen zich hebben ontwikkeld in het verleden, heden ten dage bestaan of in de toekomst nog tot bloei zullen komen, die terecht of onterecht als GNOSTIEK worden aangeduid.

Belangrijker is het feit, dat in ieder mens het zuiver verstandelijke en het diepere inzicht naast elkaar bestaan, al is dit tweede kenvermogen meestal slechts latent aanwezig, en zal die dus nog geactiveerd moeten worden. Hoewel deze kenvermogens elkaar wederkerig beďnvloeden en op elkaar ingesteld kunnen worden om een harmonisch geheel te vormen, zijn zij eigenlijk onafhankelijk van elkaar en kunnen dan ook apart worden ontplooid en ontwikkeld.

Geen zinnig mens twijfelt aan het feit, dat de verstandelijke kenvermogens doelgericht en stapsgewijs ontwikkeld dienen te worden vanaf de prilste jeugd. Alleen zo kan een hoger kennisniveau bereikt worden. De spontane groei van dit vermogen is uiterst gering. Voor een betekenisvolle ontplooiing moet de geďnteresseerde persoon zich veel moeite en inspanning getroosten: de een misschien wat meer dan de ander, maar een zekere mate van zelfopoffering blijkt altijd nodig.

Het behoeft geen betoog, dat hetzelfde gezegd moet worden van de diepere kenvermogens van de mens. De spontane groei er van gedurende de levensloop is haast onmerkbaar, onbeduidend. Velen geloven dat het voortschrijden van de tijd noodzakelijk vooruitgang met zich meebrengt, doch dit gaat zeker niet op in het geval van de innerlijke gnosis.

Het is interessant om te bedenken, dat de ontwikkeling van de diepere kenvermogens van de mens eigenlijk een zaak is die hem alleen aangaat. De natuur heeft er geen baat bij en al klinkt het ongeloofwaardig, de samenleving is er evenmin in geďnteresseerd. Bedenkt u maar dat de innerlijke ontwikkeling van de mens niet natuurlijkerwijze of automatisch plaats vindt en dat het onderwijs zich de innerlijke ontplooiing van de mens nietten doel stelt.

Het onderwijs is uitsluitend gericht op de ontplooiing van de verstandelijke kenvermogens of vaardigheden en op de vorming van geschoolde vakmensen. Daar is ook niets op tegen. Het is alleen belangrijk om het feit vast te stellen en te begrijpen.

Vanuit zuiver maatschappelijk en economisch standpunt, heeft de samenleving behoefte aan ingenieurs, technici, geleerden, dokters, onderwijzers, artiesten, schrijvers, arbeiders, vakmensen, kantoorbedienden, zakenmensen, bestuurders, boekhouders, verpleegkundigen en noem maar op, maar geen mensen met dieper inzicht in het wezen der dingen. Die komen niet te pasbij de diverse functies van onze consumptiemaatschappij of bij de productieprocessen.

Uit kosmisch en geestelijk oogpunt zijn mensen met ontwikkeld dieper inzicht niettemin noodzakelijk in elke samenleving of beschaving! Als zij zouden verdwijnen, zou ook het voortbestaan van die beschaving op losse schroeven komen te staan. Als er in Sodom tien ‘rechtvaardigen’ waren geweest, zou de stad gespaard zijn gebleven. Ook de moderne beschaving heeft mensen nodig met een ontwikkeld dieper inzicht, al wordt dit zelden en praktisch door niemand beseft, omdat dit feit buiten het domein van de normale verstandelijke vermogens valt.

De ontwikkeling van het innerlijk inzicht is slechts mogelijk door middel van zelfbewuste en vrijwillige inspanningen. In  geen geval kan de innerlijke ontplooiing tot stand komen als gevolg van het voortschrijden van de tijd of als het product van natuurlijke, mechanische of automatische evolutieprocessen, evenmin als een tuin, een akker of een gebouw zich zonder onderhoud kunnen handhaven in een goede toestand of spontaan tot ontwikkeling komen. Wat de bedoelde inspanningen precies omvatten, komt verderop aan de orde.

1.2. HET LEVEN ALS EXPERIMENT

De natuur heeft geen baat bij de innerlijke ontwikkeling van de mens. In feite gaat de geestelijke ontplooiing van de mens zelfs tegen de mechanische belangen van de natuur in. Laten wij proberen te achterhalen, waarom dit eigenlijk zo is.

Het leven op aarde vervult een dubbele functie. Anders gezegd:  het aardse leven dient twee heel verschillende doeleinden. Het in vergelijking met de aarde dunne vliesje(2) of filmpje leven dat onze planeet bedekt, kan gezien worden als een proef van de Zon.(3)

Het experiment van de Zon beoogt twee verschillende doeleinden: enerzijds dient het aardse leven de ecologische belangen van de natuur, anderzijds vervult het letterlijk en figuurlijk een ‘bovennatuurlijke’ functie.

De aarde is een levend organisme. Het dunne vliesje organisch leven dat de aarde bedekt is een zeer belangrijk orgaan voorde aarde, wellicht het voornaamste. Zowel de mensen als de ondergeschikte levensvormen zijn als het ware ‘antennes’, die de kosmische elektromagnetische stralen, die de aarde bereiken, opvangen, deze vervolgens verwerken of transformeren om ze tenslotte door te geven aan de bovenste aardlagen.

Het lijdt geen twijfel, dat zowel het menselijke, net dierlijke als het plantaardige leven onontbeerlijk zijn voor de aarde, even noodzakelijk als de aarde is voor deze levensvormen. De aarde kan het vliesje organisch leven niet missen. Ook de stenen en mineralen, die als dode stof beschouwd worden, leveren hun bijdrage aan de instandhouding van onze planeet.

Wij moeten echter een belangrijke kanttekening plaatsen: dit hele proces van het leven in dienst van de aarde- haar eerste functie- vervult zich op een mechanische, automatische of gedwongen wijze! Er komt geen vrije wil aan te pas! Zelfs de mensen, toch wel een van de hoogste levensvormen op aarde, vervullen deze functie onafhankelijk van hun kennis of willekeur daaromtrent.

Verder met Deel 2 van 3

 

 

 

 

Hoofdstuk 1: Doelstelling en uitgangspunten van de Gnosis. 

Deel 1 van 3.